Eerste minister Alexander De Croo: “Landbouwers moeten behandeld worden als elke andere ondernemer”

0
145

In volle crisis de leiding van het land in handen krijgen, het is niet waar eerste minister Alexander De Croo van had gedroomd. Maar de premier ziet ook de kansen die deze periode met zich meebrengt. “We moeten de economie niet enkel herstellen maar ook versterken en verduurzamen. Land- en tuinbouw speelt daarin een belangrijke rol. Het zijn échte ondernemers, en ze moeten ook zo behandeld worden.”

Na 492 dagen van onderhandelingen werd eindelijk een overeenkomst bereikt over het nieuwe federale regeerakkoord. Alexander De Croo werd op 20 oktober de eerste Vlaamse premier van België in negen jaar tijd. Hij is allang niet meer ‘de zoon van’, maar heeft er al een rijk gevulde carrière opzitten. We maakten kennis met de nieuwe premier en zijn inzichten over de huidige crisis, economie, maar ook over omgeving en de toekomst van land- en tuinbouw.

U werd premier in volle coronacrisis. Niet meteen een droomstart, of zie ik dat verkeerd?

“Een droomstart was het inderdaad niet, maar ik heb weinig tijd gehad om me dat goed te realiseren. De nieuwe ploeg had niet veel inlooptijd en er moesten op korte tijd veel beslissingen worden genomen die niet fijn zijn om te nemen. Ik ben niet in de politiek gegaan om mensen te verplichten om thuis te blijven en een avondklok in te voeren. Maar de situatie vroeg nu eenmaal om daadkrachtige maatregelen. Op een bepaald moment waren onze coronacijfers de slechtste van heel Europa. Zes weken later waren we de beste van de klas. Dat bewijst dat er heel veel mogelijk is als je samenwerkt. Ook voor de interne werking van de regering was het een moeilijke start, want je wil ook geen fouten maken in het navolgen van je eigen coronamaatregelen. We proberen extra voorzichtig te zijn. Zo heb ik bepaalde leden van de regering nog steeds niet fysiek ontmoet, maar wel via videoconferentie natuurlijk.”

Op welke manier kon de nieuwe regering doortastender te werk gaan dan de noodregering?

“De noodregering heeft goede dingen gedaan en heeft ons door die eerste golf van besmettingen geloodst. Maar ze had ook heel wat beperkingen aangezien er steeds moest gezocht worden naar een meerderheid, wat het nemen van belangrijke beslissingen vertraagt. We hebben in ons land niet de gewoonte om met minderheidsregeringen te werken, dus dat was een moeilijk proces. De nieuwe regering werkt zeer vlot samen en we slagen erin om een sterke basis uit te bouwen. Onze hoofdtaak is nu om de gezondheid van de Belgen te beschermen en tegelijk de economie in leven te houden. Daarvoor zijn steunmaatregelen nodig en die zijn uiteraard niet goedkoop. Ons streefdoel is nog steeds dat de ondernemingen die gezond waren voor de crisis, moeten kunnen overleven. Maar daar zijn middelen voor nodig.”

Zitten we naast een gezondheidscrisis ook in een economische crisis, of is dat te kort door de bocht?

“Het niveau van economische activiteit ligt nu veel lager, dus ik denk dat we zeker kunnen spreken van een economische crisis. Het enige verschil met een oorlogssituatie is dat de infrastructuur niet kapot is. Hoewel we nog middenin de lockdown zitten, moeten we ook al werken aan de heropbouw van de economie. Die moet niet enkel hersteld worden, maar ook sterker en duurzamer gemaakt worden. We moeten van de situatie gebruikmaken om digitalisering, slimme duurzaamheid en verbeterde productiviteit mee te nemen in de heropbouw. Het recente akkoord over de verdeling van de Europese middelen zal helpen om dit nu te vertalen in concrete projecten. Een gemeenschappelijk investeringsplan is belangrijk om samenhang tussen de projecten te verzekeren, zodat ze elkaar versterken. In ons land hebben we elk onze bevoegdheden en prioriteiten, maar we moeten ervoor zorgen dat we niet naast elkaar werken maar elkaar versterken.”

Staat ons land, vergeleken met andere Europese landen, economisch sterk? Kunnen we die heropbouw aan?

“De situatie in onze buurlanden is vergelijkbaar. Een groot deel van onze economie staat stil. Een deel zal stilaan weer opstarten, een ander deel zal nog een tijdje gesloten blijven. We moeten de juiste ondersteuning geven aan bedrijven die lang dicht zijn moeten blijven, want onze prioriteit is dat gezonde en veerkrachtige bedrijven moeten kunnen overleven. Maar de steunmaatregelen moeten op tijd komen, een duidelijk doel hebben en tijdelijk van aard zijn. Doe je dat goed, dan is het een tijdelijke kost en creëer je op lange termijn welvaart. Steun je niet de juiste bedrijven, kom je te laat of laat je de steun te lang doorwerken, dan wordt het een permanente kost. We doen er alles aan om dat te vermijden. En toch zie je ondanks alle moeilijkheden dat de crisis ook creativiteit en ondernemerschap voedt. Zo zijn er de afgelopen zes maanden ook heel wat nieuwe bedrijven van start gegaan.”

U bent opgegroeid in Michelbeke, een dorp in de Vlaamse Ardennen. Bent u een echte plattelandsjongen?

“Mijn grootouders waren fruittelers. Mijn ouders waren niet vaak thuis, dus ik heb in mijn kindertijd heel wat tijd tussen de appel- en perenbomen doorgebracht. Ik heb enorm veel respect voor de stiel en in mijn woonplaats in de Vlaamse Ardennen word ik er ook vaak mee geconfronteerd. Ik ben bijvoorbeeld een echte fan van de Werktuigendagen in Oudenaarde. Ik ga er vooral naartoe om de technologische vooruitgang te zien. De technologie waarmee hedendaagse machines uitgerust zijn, dat is prachtig. Maar ook de liefde voor het vak en de motivatie die de sector typeert, is prachtig om te zien. Land- en tuinbouwers zijn zeer vooruitstrevend, ook de kleine bedrijven. We moeten landbouwers de mogelijkheid geven om echte ondernemers te zijn en te blijven en de vrijheid geven om eigen accenten te kunnen leggen. De evolutie naar meer duurzaamheid is daarbij zeker belangrijk, maar landbouwers doen dat al zeer goed. Als fervent wandelaar, fietser en ruiter ken ik de vele kleine veldbaantjes in mijn regio als mijn broekzak. Vroeger zag ik dat als ‘mijn’ baantjes, omdat ik er nooit iemand, naast de boer, tegenkwam. De lockdown zorgde ervoor dat heel veel mensen nu de veldwegen verkennen, zowel in de eigen streek als elders in het land. Ik denk dat het belangrijk is dat die mensen daar ook de landbouwer tegenkomen, want zo ontdek je niet enkel dat het platteland mooi is, maar ook dat het een grote economische waarde heeft. Hoe meer interactie er is, hoe meer begrip mensen tonen voor het feit dat de landbouwer ook op zondag ploegt.”

In de Vlaamse Ardennen is, net als op veel andere plaatsen in ons land, het evenwicht tussen natuur en landbouw niet altijd evident. Hoe is uw kijk daarop?

“Landbouw is een economische activiteit maar heeft ook een grote maatschappelijke rol. Een leefbare omgeving, prachtige vergezichten, het landschap dat een streek typeert … het is allemaal landbouw. Ik ben ervan overtuigd dat de grootste natuurliefhebbers landbouwers zijn. Zij hebben immers per definitie een langetermijnperspectief, want de landbouwer leeft van de natuur. Hij weet zeer goed dat wanneer de kwaliteit van de bodem achteruitgaat, dat een impact heeft op zijn productie. De Vlaamse Ardennen kampen bijvoorbeeld met een groot risico op bodemerosie, en de landbouwer is de eerste die daar de gevolgen van ondervindt. De landbouwers in de streek doen er dus ook alles aan om dat te vermijden. In mijn ogen is de tegenstelling tussen landbouw en natuur dus niet zo groot, al ben ik me ervan bewust dat er soms conflicten ontstaan. Wederzijds respect en begrip zijn de enige manier om daarmee om te gaan. Anderzijds weet ik dat landbouwers het vaak extra hard te verduren krijgen doordat nieuwe regels soms zeer abrupt worden ingevoerd, zonder dat eerder genomen maatregelen de tijd krijgen om hun effecten te tonen. De PAS-regelgeving, het MAP … Ik begrijp dat er nog werk aan de winkel is om theorie en praktijk op elkaar af te stemmen.”

De ondernemingskansen van land- en tuinbouwers staan vandaag onder druk. Het is niet evident om nog kansen te krijgen tot aanpassing of uitbreiding van je bedrijf.

“Er moet absoluut meer duidelijkheid komen in de procedures. Als een aanvraag zo lang blijft aanslepen, demotiveert dat uiteraard. Er was de laatste tijd heel wat te doen over schaalvergroting en of dat al dan niet gewenst is. Maar het gaat vaak niet over schaal, maar net over innovatie en productiviteit. België is te klein om op schaal te kunnen concurreren met andere landen, maar wat innovatie en efficiëntie betreft zijn we de beste van de klas. Onze loonkost is zeer hoog, er is weinig ruimte en de regelgeving is streng, maar toch kan Belgische landbouw concurreren op wereldschaal. Onze topkwaliteit en productiviteit is ons sterke punt en dat is de richting die we uit moeten. Land- en tuinbouwers moeten dus ook de mogelijkheden krijgen om duurzaamheid en technologie te kunnen implementeren in hun bedrijf, want die gaan hand in hand. De ondernemingszin in land- en tuinbouwbedrijven is zeer groot en de wil om verder te investeren in duurzaamheid is er ongetwijfeld. Het is belangrijk dat land- en tuinbouwers dat ook zo veel mogelijk laten zien aan het brede publiek. Extreme meningen komen er volgens mij door elkaar te weinig te ontmoeten. Ik vind de Boerenbondstages voor politici bijvoorbeeld ook een zeer goed initiatief. Ik mocht zo meelopen op een melkveebedrijf en dat heeft me heel wat praktijkinzicht gebracht.”

De vraag of Belgische land- en tuinbouw wel voor de wereldmarkt moet produceren komst steeds vaker ter sprake, terwijl die vraag nooit bij andere sectoren wordt gesteld. Begrijpt u dat?

“Neen. Ik vind het zeer raar dat men die vraagt stelt. België is om het zo te zeggen ‘een scheet’ groot. Een deel van wat we eten produceren we zelf, een deel komt uit het buitenland. Op die manier hebben mensen het jaar door toegang tot een grote variëteit aan voedsel, wat ook onze gezondheid beschermt. Dat was 50 jaar geleden niet zo’n evidentie. Deze crisis is zeker niet het einde van de globalisering, al willen sommigen dat graag in vraag stellen. Kijk naar de vaccins: als België die klus alleen had moeten klaren, stonden we helemaal achteraan in de rij om onze bevolking te vaccineren. Deze crisis toont net dat we elkaar wereldwijd nodig hebben. Internationale handel is de reden dat er geen oorlog is, het lot van onze landen is te nauw met elkaar verbonden. We hebben te veel te verliezen bij een conflict. Ik zie absoluut niet in waarom land- en tuinbouw op een andere manier behandeld zou moeten worden dan andere sectoren die exporteren. Land- en tuinbouwers moeten behandeld worden als elke andere ondernemer. Al zijn er natuurlijk wel wat specifieke uitdagingen, zoals de grote investeringen, de onvoorspelbaarheid van marktprijzen, het weer, dierziekten … Wat wel belangrijk is, is dat we de kwaliteitsregels zo veel mogelijk gelijkstellen met andere landen.”

Welke toekomstkansen ziet u voor de agrarische sector?

“Het is niet aan mij om de technologie te kiezen waarmee land- en tuinbouwers aan de slag moeten, dat is kennis waarin zij veel verder staan dan ik. Het zal vooral belangrijk zijn om diversiteit te omarmen. Sommigen gaan voor de korte keten, anderen voor een bedrijf op grotere schaal. En dat is goed, want te veel dezelfde bedrijven brengt ons in de problemen. We moeten ervoor zorgen dat de sector aantrekkelijk blijft voor jonge starters en talenten er zich kunnen ontwikkelen. Zo was ik ooit op een hardfruitbedrijf waar de zoon een eigen softwareprogramma had gemaakt waarmee hij de hele opvolging van oogst en bewaring kon doen. Hij werkte dat uit en verkoopt zijn programma nu ook in het buitenland. Hedendaagse landbouw klopt allang niet meer met het beeld van de kleine boer die sommigen nog hebben. Hoe meer men de mens achter het bedrijf leert kennen, hoe meer begrip er zal zijn voor de activiteiten van land- en tuinbouw.”

De crisis richtte onze aandacht naar de essentiële beroepen als de zorg, maar ook land- en tuinbouw.

“Land- en tuinbouw hoort zeker thuis in het rijtje van essentiële beroepen. De zorg is uiteraard zeer belangrijk, maar al die dokters, verplegers en verzorgers moeten ook eten. De afgelopen maanden zaten we allemaal een beetje in de zorg. De postbode die zorgt voor de levering van mondmaskers, de supermarkt die zorgt voor veilig winkelen, de landbouwer die voedsel blijft produceren … Die ploeg van 11 miljoen mensen is zo belangrijk. We hebben als mensen onze kwetsbaarheid herontdekt. We dachten dat niets ons kon raken. Maar landbouwers kennen die kwetsbaarheid maar al te goed. Ze weten dat er zaken zijn die buiten hun macht liggen en die hun inkomen sterk kunnen bepalen.”

Was die ‘back to basics’ nodig om ons weer met de voeten op de grond te zetten?

“Eerst en vooral was en is deze crisis een zeer tragisch feit. In veel gezinnen staat er vandaag een lege stoel en dat mogen we niet onderschatten. Maar het is ook zo dat corona ons weer heeft teruggebracht naar wat echt belangrijk is. Dat we kwetsbaar zijn, dat we elkaar nodig hebben en dat ons lot met elkaar verbonden is. Niemand is veilig tot iedereen veilig is. Het is nu onze opdracht om er het beste van te maken.”

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Please enter your comment!
Please enter your name here